P.F. van den Heuvel (1930), voormalig hoofd van de afdeling lichte wielvoertuigen van de DMKL en drs. F. Staarman (1969), conservator moderne militaire geschiedenis, behande­len de aanschaf en het gebruik van de AMX voertuigen. Zowel over aanschaf als gebruik is vanaf 1960 veel discussie geweest. Van den Heuvel en Staarman verschaffen in onder­staand artikel uitgebreide achtergrondinformatie over de drie belangrijkste AMX uitvoe­ringen: tank, infanterievoertuig en houwitser.

 

AMX voertuigen in de Koninklijke Landmacht, 1961-1983

door Piet F. van den Heuvel en Alfred Staarman

 

De aanleiding tot het schrijven van dit artikel is de verwerving van een AMX 13 tank door het Legermuseum, begin 1999. Door welwil­lende medewerking van het Museum Neder­landse Cavalerie kon de overdracht doorgang vinden. Hoewel de tank in slechte staat ver­keert, vormt hij een belangrijke aanwinst voor de collectie van het Legermuseum.

 

Afb. 1. AMX 13 lichte tank van 13 Antitankbatterij tijdens een rivierovergang.
(Foto collectieLegermuseum)

 

De AMX familie is nu met drie voertuigen - de tank, het personeelsvoertuig en de houw­itser- representatief vertegenwoordigd in de collectie.[1]

Het belang van voorwerpen voor een muse­umcollectie wordt mede bepaald door de his­torische context waarin zij hebben gefunctio­neerd. In het geval van de AMX is deze con­text bijzonder interessant. Zij wordt gevormd door de Koude Oorlog; een periode waarin de strijdkrachten van de NAVO geconfronteerd werden met een grote conventionele en nucleaire dreiging vanuit het Warschaupact. De invoering van de AMX markeert daarbij een proces van verandering dat het aanzien van de landstrijdkrachten voorgoed zou ver­anderen: de mechanisatie & motorisatie.

 

In dit artikel wordt eerst een korte histori­sche schets gegeven van de periode waarin de invoering van de AMX familie plaatsvond, en worden de overwegingen genoemd die tot de keuze voor dit product hebben geleid. Daarna wordt dieper ingegaan op de drie belangrijk­ste leden van de familie: de tank, het infante­rievoertuig en de houwitser.

 

Mechanisatie en Motorisatie

De Koninklijke Landmacht bracht vanaf het begin van de jaren zestig ingrijpende wijzigin­gen aan in de uitrusting van manoeuvre-een­heden. Dit proces wordt ook wel aangeduid met de term 'Mechanisatie & Motorisatie'.

Het onder pantser brengen van de parate troe­pen van de KL hield verband met de opvattin­gen over oorlogvoering in Noordwest Europa, zoals die in de jaren vijftig binnen de NAVO opgeld deden. Deze waren op hun beurt weer een reactie op gelijksoortige ontwikkelingen aan de andere kant van het IJzeren Gordijn. Binnen de NAVO bestond de overtuiging, dat een confrontatie met het Warschaupact vrij­wel zeker zou resulteren in de inzet van (eigen) nucleaire- en of chemische wapens. De consequentie hiervan was dat grondtroe­pen beter beschermd moesten worden tegen de gevolgen hiervan. Gepantserde voertuigen moesten die bescherming in beginsel bieden. Tevens brachten zij de vereiste mobiliteit voor wat het `beweeglijk gevecht' werd genoemd.

'Gemechaniseerd' betekent in dit verband 'verplaatsbaar door middel van een gepant­serd rupsvoertuig', `gemotoriseerd' betekent 'verplaatsbaar door middel van een gepant­serd wielvoertuig'. De voorkeur van het NAVO opperbevel ging uit naar volledig gemechaniseerde gevechtseenheden, met name bij de infanterie. Om een aantal rede­nen, waaronder financiële, ging Nederland er echter toe over deels te mechaniseren en deels te motoriseren.[2] In het voorschrift 'Gevechtshandleiding' wordt aanvankelijk een duidelijk onderscheid gemaakt in het optreden van pantserrups-(gemechaniseerd: AMX/ en pantserwielvoertuigen (gemotori­seerd: DAF YP 408/. Aan de rupsvoertuigen werd een offensieve of beweeglijke taak toe­gekend in samenwerking met tanks. De wielvoertuigen kregen een meer defensieve of statische rol toebedeeld.[3] In de 'Gevechts-handleiding' van 1968 is dit expliciete onder­scheid overigens weer verdwenen[4]

Het proces van mechanisatie en motorisatie werd in de tweede helft van de jaren zestig voltooid. Het 1e Nederlandse Legerkorps bestond toen uit twee parate divisies (1 en 4), die elk uit drie parate brigades (11,42,43 en 13,12,41 voor respectievelijk de 1e en 4e Divisie) bestonden. De mechanisatie van de mobilisabele 5e Divisie werd pas in 1979 afgerond.

De mechanisatie en motorisatie van de landmacht was een ingrijpende verandering die op veel plaatsen in de organisatie aanpassingen vereiste. Dit proces werd voorbereid en aan­gestuurd door de werkgroep Mechanisatie & Motorisatie. Deze werkgroep deed voorstel­len omtrent tactische doctrines, materieel­aankopen, personele organisatie, opleidingen en logistieke ondersteuning. In het kader van de materieelaankopen was een belangrijke opdracht van de werkgroep te komen tot een zoveel mogelijk gestandaardiseerd voertui­genpark. De grootste aankopen waren de AMX en de DAF YP 408, beide in verschillen­de uitvoeringen.[5]

 

De keuze voor AMX

Hoogste prioriteit in 1960 had de vervanging van de M24 Chaffee-tank voor verkennings­taken bij de cavalerie. Omdat de Amerikaan­se M41 Walker Bulldog om technische en logistieke redenen afviel als alternatief, bleef in feite alleen de Franse AMX 13 tank als geschikte kandidaat over.[6] De AMX tank had zijn operationele waarde reeds bewezen bij het Israëlische leger tijdens de Sinaïveldtocht in 1956. Een overweging van politiek-finan­ciële aard was nog, dat een bestelling in Frankrijk gunstig was in verband met het tekort op de betalingsbalans dat Nederland had ten opzichte van Frankrijk.[7]

Toen eenmaal voor de AMX 13 was gekozen, lag het voor de hand dat, gezien de verlangde standaardisatie, andere wapens en dienstvak­ken ook met de AMX (in verschillende uit­voeringen/ zouden worden uitgerust. Zo bezien was de keuze voor de AMX een min of meer logisch gevolg van de urgentie van de mechanisering in het algemeen en invoering van de lichte tank in het bijzonder, met als randvoorwaarde de eis van standaardisatie. De KL manoeuvreerde zich zo in een positie waarin vanzelf het aantal alternatieven werd gereduceerd tot één: AMX. Met het eenheidschassis van het Atelier de construction d'Issy les-Moulineaux (AMX) kreeg de KL de gewenste mogelijkheid het aantal verschil­lende en veelal verouderde voertuigtypen en wapensystemen te reduceren. Overigens betrof de standaardisatie alleen het nieuwe materieel, ten opzichte van het reeds aanwe­zige materieel was het beeld minder gunstig: 'geen van de componenten, waaruit de AMX rupsvoertuigen zijn opgebouwd, komt reeds voor in de bij de Koninklijke Landmacht aan­wezige voertuigen'.[8] Modificaties waren het gevolg.

Een mogelijk alternatief voor het personeels­voertuig AMX pri was bijvoorbeeld de Ame­rikaanse M113. Dit voertuig was, toen de keuze voor de AMX gemaakt werd, echter nog niet in serieproductie beschikbaar en bovendien veel duurder. In 1967 werd de M113 alsnog ingevoerd, zij het niet als ver­vanging van de AMX maar voor andere taken.

De keuze voor AMX werd in 1961 bepaald. Het ontwerp van de AMX 13 tank stamt ech­ter al uit 1946. In 1949 werd het eerste proto­type beproefd en vanaf 1951 ging de tank in productie. Het chassis van de tank diende daarna als basis voor tal van andere voertuig­typen. Onderstel, motor, versnellingsbak, koppeling en rupsbanden van deze voertui­gen waren dezelfde als van de tank. De hou­witser (pra) en het infanterievoertuig (pri) werden in het Franse leger ingevoerd in respectievelijk 1952 en 1955. De in totaal 17 varianten AMX voertuigen zijn in aanzienlij­ke hoeveelheden voor een groot aantal lan­den geproduceerd. Het is één van de grootste pantservoertuigsystemen ter wereld, verge­lijkbaar met de Amerikaanse M113 en de Russische PT-76.[9]

De landmacht hield in 1960 eigen beproevin­gen met de drie gewenste typen. Uit de beproevingsverslagen komt bepaald geen rooskleurig beeld naar voren van de techni­sche en tactische kwaliteiten van de AMX. Zeer negatief was het oordeel van de Bundes­wehr. De Duitsers hadden uit politieke over­wegingen en uit oogpunt van de Frans-Duitse samenwerking graag een Frans product aan­geschaft, maar concludeerden na beproevin­gen dat de AMX niet aan de door de Bundes­wehr opgestelde eisen voldeed. Een samen­vatting van het rapport is als bijlage gevoegd bij het Nederlandse verslag. De teneur van het Duitse rapport wordt samengevat met het oordeel dat het AMX personeelsvoertuig: niet mobiel genoeg, onvoldoende bewapend en nu reeds verouderd was.[10]

 

Tabel 1. AMX voertuigen in de KL. Typen en aantallen. (PR = pantserrups)
aanduiding: afkorting: aantal:
PR lichte tank * (PRLTTK) 131
PR artillerie * (PRA) 82
PR berging (PRB) 34
PR infanterie * (PRI) 345 **
PR commando (PRCO) 162
PR vracht (PRVR) 46
PR gewondentransport (PRGWT) 46 +
Totaal 846
Bron: archief Mr. E.A.K.G. Ruys, Zoetermeer; Materieellijsten DMKL, collectie Legermuseum.
* aanwezig in de collectie van het Legermuseum
** Uit de AMX pri serie zijn 67 stuks gemodificeerd tot Mortiertrekker (PRMR), en een aantal (vermoe­delijk 26) tot Antitank met TOW (PRAT).

 

Overigens betrof dit Duitse oordeel alleen het personeelsvoertuig (pri), en niet de tank en de houwitser." De beperkingen van de AMX pri met name waren dus wel bekend, maar de Nederlandse legerleiding en de politiek ver­antwoordelijken wilden niet langer wachten en namen de gebreken voor lief. De plaatsver­vangend Chef generale staf luitenant-generaal A.V. van den Wall Bake verwoordde het resul­taat van beproevingen in een nota aan de minister van Defensie als volgt: technische beproeving: redelijk betrouwbaar en tacti­sche beproeving: alleszins aanvaardbaar.[12]

De voorbereiding van de invoering van de AMX was zeer tijdrovend en arbeidsintensief. Zo was er voor de samenstelling van de Nederlandstalige documentatie (inclusief cor­rectie, doch exclusief typen, drukken etc) voor alleen de tank al ruim 18.000 manuren nodig.[13] De voertuigen werden in Nederland voorzien van verbindingsmiddelen, infraroodapparatuur en secundaire bewapening. De invoering van de AMX in de KL verliep moei­zaam. A1 snel bleken de gebruikende eenhe­den een zo hoge `reparatiefrequentie' te heb­ben dat de invoer tijdelijk moest worden gestopt. In 1963 verschenen de eerste berich­ten in de pers over kinderziekten die onder andere het gevolg waren van aangebrachte modificaties in de koppeling. In 1964 werd tenslotte een onderzoek, een zogenaamde gebrekenproef, ingesteld naar de tank omdat er in bijna alle koepeldaken haarscheurtjes waren ontstaan. De conclusie luidde dat de scheurtjes te wijten waren aan constructiefouten.[14] Vanaf 1965 werd de invoering hervat. Naast de technische problemen werd de stroeve start van de mechanisering van de KL voor een belangrijk deel ook geweten aan de onbekendheid van (beroepsmilitairen met het nieuwe materieel. De omgang met de technisch hoogwaardige maar kwetsbare AMX vereiste een andere houding ten opzich­te van het materieel, met name op het gebied van onderhoud in de lagere echelons. Van groot belang was een grondige chauffeursop­leiding. Deze vond van vanaf 1962 plaats op het hiertoe opgerichte Pantserinfanterie Rij­opleidingscentrum (PIROC) te Veldhoven. AMX voertuigen in het Legermuseum In het navolgende worden de drie hoofdtypen van de AMX familie (tank, personeelsvoer­tuig & houwitser) besproken aan de hand van de in de collectie van het Legermuseum aan­wezige voorbeelden.

 

Tabel 2. Technische gegevens AMX voertuigen
  AMX 13 AMX pri AMX pra
bemanning 3 3 + 9 5 à 8
lengte x breedte x hoogte 6,7x2,5x2,8 m 5,7x2,7x2,5 m 5,7x2,7x2,7 m
eigen gewicht 14.800 kg 13.300 kg 14.270 kg
bodemdruk 0,76 kg/cm2 0,7 kg/cm2 0,83 kg/cm2
pantsering 20-40 mm 15-20 mm 7-20 mm
motor Sofam 250 pk Sofam 250 pk Sofam 250 pk
  8 cyl. benzine 8 cyl. benzine 8 cyl. benzine
max. snelheid 60 km/h 60 km/h 60 km/h
actieradius 350 km/6 uur 350 km/9 uur 350 km/6 uur
opstapvermogen 0,65 m 0,65 m 0,60 m
overschrijding 1,9 m 1,9 m 1,6 m
waadvermogen 0,6 m 0,6 m 0,6 m
max. helling 60 % 60 % 60 %
bron: Naam en Codelijst (NC)9-80 'Afbeeldingen en gegevens van Genie- en TD materieel'. Collectie bibliotheek Legermuseum.

 

 

De AMX 13 lichte tank

Het ontwerp van de AMX 13 is in vergelijking tot dat van andere tanks om een aantal redenen bijzonder. Wat direct opvalt is dat de tank in verhouding tot zijn gewicht van circa 15 ton een groot kaliber kanon heeft (105mm). Nederland is overigens het enige land geweest dat de AMX 13 met 105mm kanon heeft gebruikt. In Frankrijk en andere landen was de tank aanvankelijk voorzien van een 75mm, en later een 90mm kanon. Het aan­brengen van een 105 mm kanon heeft volgens sommige kenners meer kwaad dan goed gedaan; de eerder genoemde haarscheurtjes in de koepeldaken van de tanks zijn er bijvoor­beeld mee in verband gebracht.

Oorspronkelijk was de AMX 13 bedoeld als luchtmobiele tank voor inzet 'outre-mer', vandaar zijn betrekkelijk geringe gewicht. Het luchttransport van tanks bleek echter in de jaren na de Tweede Wereldoorlog voor het Franse leger technisch en logistiek een onmo­gelijke opgave. Het concept van een lichte tank met een relatief zwaar kanon bleef even­wel gehandhaafd.[15] Het resultaat was een ont­werp voor een effectieve en compacte tank die een grote tactische waarde bleek te hebben als verkenner en tankjager.

 

Afb. 4. AMX 13 lichte tank. Deze tank is in de huidige conditie niet 'exposabel'. Hij wordt in afwachting van restauratie in het depot Maaldrift opgeslagen.
(Collectie Legermuseum inv.nr. 114940)

 

Een tweede bijzondere aspect van de AMX tank is de toren. Deze bestaat, in tegenstel­ling tot conventionele torens, uit twee gedeel­ten. Het bovenste deel (torendak) is om twee vaste punten in verticale richting draaibaar ten opzichte van het onderste deel.

 

  • A. Verticaal draaiend gedeelte van de toren
  • B. Tap
  • C. Automatische laadinrichting
  • D. Horizontaal draaiend gedeelte van de toren
  • E. Torenkoot

Afb. 5. De toren FL 12 H van de AMX 13. Het bovenstuk met de gefixeerde loop is draaibaar rond de tappen(B) van het onderstuk. De elevatiegrenzen bij een voorwaarts gericht kanon zijn: min 5°30' en max12°30'. Het horizontale draaibereik is 360°.
(Bron: 2TH9-230 A/l, collectie bibliotheek Legermuseum)

 

Het voordeel van deze zogenaamde oscilleren­de toren is dat het eenvoudig kan worden uit­gerust met een automatisch laadsysteem. Dit komt omdat niet het kanon eleveert maar het gehele torendak, inclusief kanon en laadin­richting. Het kanon en de laadinrichting bewegen bij elevatie dus niet ten opzichte van elkaar. Deze automatische laadinrichting is het derde bijzondere aspect van het AMX ont­werp. Het spaart een bemanningslid uit en daarmee ruimte. De laadinrichting bestaat uit twee cilindervormige magazijnen die elk zes patronen bevatten. Door dit revolverprincipe is de vuursnelheid hoog. Na de twaalf scho­ten moet echter één van de bemanningsleden de tank uit om de magazijnen van buiten af te herladen. Dit is uit tactische overwegingen zeer nadelig. De voordelen van het automati­sche laadsysteem worden aldus voor een groot deel teniet gedaan door de nadelen.

Wat de AMX tot een geschikte verkennings­tank maakte was een combinatie van het lich­te gewicht met een toch aanzienlijke vuur­kracht. Daarbij had de AMX niet alleen een laag maar ook een gunstig silhouet. Omdat het kanon ten opzichte van het torendak niet hoefde te kunnen bewegen, kon het zo hoog mogelijk in de toren bevestigd worden. Hier­door was de AMX in staat vanuit dekking te schieten zonder op te vallen. Het kanon van de AMX kon brisantmunitie (HE) of antitank­granaten (HEAT) met een pantserdoorborend vermogen tot 360 mm verschieten. Er werden 32 patronen meegevoerd.

 

Afb. 6. Doorsnede van 105 mm Antitankmunitie voor de AMX 13 en AMX pra. Het projectiel heeft een buitendeel en een apart binnendeel met een zogenaamde 'holle lading'. Door deze speciale constructie draait het binnendeel over de lagers (a) en (b) tijdens de vlucht met een veel geringere rotatie tegengesteld aan het buitendeel. Dit is noodzakelijk omdat bij een te grote rotatie de uitwerking van de holle lading teniet zou worden gedaan.
(collectie Legermuseum inv.nr. 033785)

 

Tevens was elke tank uitgerust met twee mitrailleurs MAG 7,62 mm (één coaxiale en één op een ringaffuit op het torendak/. Verder had elke tank twee groepen van drie rookgra­naatwerpers. De officiële aanduiding die de KL gebruikte voor de AMX tank was: 'Lichte tank: met kanon 105 mm, L 44, type 2D (AMX)'. 'L 44' is de aanduiding voor de lengte van de schietbuis zonder mondingsrem: 44 kalibers (44 x 105mm = 4,62 meter), 'type 2D' duidt op de versie die in 1959 werd ontwik­keld met 90mm of 105mm kanon. Voor tank­herkenners en modelbouwers is het verder handig te weten dat type 2D het enige type was met vier toprollers zie tabel 2 voor tech­nische gegevens.)

Volgens het cavalerievoorschrift 17-135 (1964) waren verkenningen `verrichtingen te velde, welke ten doel hebben gegevens over de vij­and en het terrein en/of hulpbronnen te ver­zamelen'. Hoewel een commandant van een zelfstandig verkenningseskadron over meer middelen dan alleen tanks beschikte, vorm­den zij het belangrijkste wapen van het eska­dron. Alleen tanks konden immers het gevecht met vijandelijke tanks aangaan. Belangrijk voor een verkenningseenheid was dat deze natuurlijk zeer beweeglijk was en over goede verbindingen beschikte met ande­re eenheden en hogere commandanten. Vol­gens hetzelfde voorschrift mocht een verken­ningseenheid nooit het 'beslissende gevecht' met de vijand aangaan. Dit zou ten koste gaan van de eigenlijke opdracht: het doen van ver­kenningen voor andere -grotere- manoeuvre eenheden.[16] Na het AMX tijdperk is overigens geen speciale lichte tank voor verkenningsta­ken meer aangeschaft. Deze taak werd overgenomen door de Leopard 1 en later de Leo­pard 2.

Een verkenningseskadron zoals dat in de jaren zestig functioneerde had drie verkenningspe­lotons. Een peloton bestond uit een comman­dogroep, een verkenningsgroep, een tank­groep, een tirailleursgroep en een ondersteu­ningsgroep. Een tankgroep van een peloton bestond uit twee AMX tanks, het eskadron had er dus in totaal zes. De verkenningsbatal­jons van 1 en 4 Divisie hadden ieder 18 AMX tanks.

Naast de rol als verkenningstank bij de cava­lerie had de AMX 13 ook een taak als anti­tank geschut bij de artillerie. In de jaren 1962 en 1963 werden vier batterijen (waarvan drie paraat en één mobilisabel) veldartillerie anti­tank opgericht ten behoeve van de pantserin­fanteriebrigades. Een batterij bestond uit drie pelotons, elk bewapend met vijf AMX tanks. De pantser-antitank taak werd vanaf 1972 overgenomen door het regiment infanterie Chassé. De infanteristen gebruikten voor de pantserbestrijding zowel de AMX 13 als de AMX pri met daarop de draadgeleide raket TOW gemonteerd. De AMX 13 heeft dus zowel bij de cavalerie als bij de artillerie en - heel kort- bij de infanterie dienst gedaan.

Tabel 3. Indeling AMX 13 bij de Cavalerie
Eenheid van - tot opmerking
102 Verkbat RHB 1963 - 1974 paraat
103 Verkbat RHB 1963 - 1974 paraat
11 ZVE RHB 1968 - 1983 paraat
13 ZVE RHB 1967 - 1983 paraat
41 ZVE RHB 1963 - 1983 paraat
42 ZVE RHB 1968 - 1983 paraat
43 ZVE RHB 1966 - 1983 paraat
12 ZVE RHB 1968 - 1983 mobilisabel
     
Verkbat = Verkenningsbataljon
ZVE = Zelfstandig Verkenningseskadron
RHB = regiment Huzaren van Boreel
bron: Documentatiearchief Sectie Militaire Geschiedenis, met dank aan drs. B. Schoenmaker; Semi Statische Archieven KL, documentatiebestand organisatie KL 1945-1989.
Opmerking: Gekozen is voor de formele data. De indeling op papier kan echter afwijken van de werkelijkheid. Dit geldt met name voor de instroming.

 

Tabel 4. Indeling AMX 13 bij de Artillerie
Eenheid van - tot opmerking
11 Atbt 1963 - 1974 paraat
13 Atbt 1963 - 1974 paraat
42 Atbt 1963 - 1974 paraat
12 Atbt 1963 - 1974 tot 1968 mobilisabel
52 Atbt 1972 - 1975 mobilisabel
53 Atbt 1972 - 1975 mobilisabel
Atbt= Antitankbatterij
bron: R.W. Hoksbergen & J. Kroon, De Nederlandse Artillerie vanaf 1945, 81-83

 

 

De pantserrups infanterie (AMX pri)

Voor de infanterie bracht de mechanisering de grootste veranderingen met zich mee. Het voert hier te ver om alle veranderingen in optreden, tactiek en dergelijke op te sommen maar de belangrijkste kunnen niet onge­noemd blijven. In beginsel was de pantserin­fanterie bestemd om 'in nauwe samenwer­king met tanks aan het beweeglijk gevecht deel te nemen'. Zolang als het kon, voerde de infanterie het gevecht, zoals dat heet, met en vanuit het voertuig. Een 'uitgestegen' infan­terist zou zichzelf immers onttrekken aan de bescherming, de mobiliteit, de waarnemings­mogelijkheden, de vuurkracht en de radio) verbindingen die het pantservoertuig, in dit geval de AMX, hem bood. Het chassis van de AMX 13 tank diende als basis voor het ont­werp van de AMX pri (zie tabel 2 voor techni­sche gegevens).

 

Afb. 2. De AMX pri die in 1960 is beproefd door het toenmalige Detachement Beproevingen Voertuigen. Dit was nog de Franse uitvoering. De uiteindelijke Nederlandse versie had een .50 mitrailleur op een gewijzigde toren. Verder is deze Franse AMX nog niet voorzien van infrarood rijlampen. Op de zijkant is een Frans indelingsembleem zichtbaar.
(Foto collectie Legermuseum, met dank aan Productgroep Beproevingen Materieel, Huijbergen)

 

Afb. 7. AMX pantserrups infanterie in de basis expositievan het Legermuseum. De aanduiding 42-1 (42e Bataljon Infanterie 'Limburgse fagers') is niet origineel maar later aangebracht, evenals de aanduiding B 32 (32e voertuig. B-compagnie). Het kenteken KN-64-66 is wel origineel.
(Collectie Legermuseum inv. nr. 054576)

 

R.M. Ogorkiewicz heeft er in zijn studie Design and development of fighting vehicles op gewezen dat het concept van een basis­chassis met verschillende toepassingen naast de logistieke voordelen eveneens een aantal intrinsieke ontwerptechnische nadelen in zich bergt. Zo heeft de AMX pri noodgedwon­gen een nogal lange en weinig compacte frontsectie die daardoor kwetsbaar is voor inkomend vuur.[17] Als belangrijk pluspunt van het ontwerp van de AMX pri gold, dat er tijdens verplaatsingen vanuit het voertuig gevuurd kon worden. Voor de legerleiding verdiende onder andere vanwege dit tactische voordeel de AMX de voorkeur boven de M113.[18] Het vuren vanuit een rijdend voer­tuig was echter niet erg nauwkeurig en had volgens de gevechtshandleiding dan ook voor­namelijk een 'neutraliserend effect'. Normaal gesproken werd er alleen gevuurd met de .50 mitrailleur vanuit stilstand, een zogenaamde schiethalte. Volgens het eerder aangehaalde Duitse beproevingsverslag waren de dode hoeken bij het vuren vanuit de kleine luikjes bij de AMX bovendien onaanvaardbaar groot. In de dagelijkse oefenpraktijk van de AL werd er niet of nauwelijks gevuurd vanuit de lui­ken van de AMX. Wat in theorie 'een groot tactisch voordeel' was, bleek in de praktijk ineffectief en weinig zinvol.

 

Afb. 8. Uitstijgen via de luiken van de AMX pri. Het met volle bepakking en een wapen verlaten van de krap bemeten personeelsruimte van de AMX was al niet eenvoudig. Voeg daarbij de blootstelling aan vijandelijk vuur en het risico op enkel kwetsuren en de hele exercitie krijgt een wel erg hypothetisch karakter.
(Foto collectie bibliotheek Legermuseum)

 

Normaal gesproken verliet de infanterie­groep, die ruggelings tegenover elkaar zat, de AMX via de achterdeuren. Er kon daarnaast ook van de luiken gebruik gemaakt worden. Dit deed het misschien goed bij demonstra­ties, maar in de praktijk was het rijdend uit­stijgen via de luiken alleen bedoeld voor noodsituaties vanwege het gevaar van bles­sures en blootstelling aan vijandelijk vuur. Het rijdend uitstijgen via de achterdeuren (bij een snelheid van maximaal 20 km per uur) behoorde wel tot de dagelijkse praktijk.

De wijze van optreden met de AMX pri en de samenstelling en grootte van de bemanning van het voertuig wijzigden naarmate de AMX langer in gebruik was en er meer ervaring mee was opgedaan. Wie bijvoorbeeld jaargang 1966 van de Militaire Spectator doorneemt, kan constateren dat er op dat moment nog volop discussie was over de AMX en de manier waarop er het beste gebruik van kon worden gemaakt.[19] Deze discussie vond zijn weerslag in de voorschriften. Zo had bijvoor­beeld de AMX pri (groepsvoertuig) in 1962 elf, en in 1969 tien man aan boord.

Het onderstaande is ontleend aan de gevecht­sexercitie zoals die in 1969 werd ingevoerd en kan derhalve afwijken van latere of eerde­re voorschriften. Een gemechaniseerd pant­serinfanteriepeloton bestond in 1969 uit 39 man (één officier, vier onderofficieren en 34 korporaals en manschappen] verdeeld over vier AMX pri voertuigen.[20]

 

Zoals blijkt uit afbeelding 9 was de beman­ning van het commandantsvoertuig en de drie groepsvoertuigen verschillend van samenstelling. Ook de uitrusting, met name de verbindings-apparatuur, was anders.

 

Indeling AMX pelotonscommandant (pc vtg):

  1. pelotonscommandant
  2. pelotonssergeant
  3. schutter tlv 84 mm
  4. helper tlv 84 mm
  5. schutter tlv 84 mm
  6. helper tlv 84 mm
  7. ordonnans
  8. boordschutter
  9. chauffeur

 

Indeling AMX groepsvoertuigen (A.B.C vtg):

  1. groepscommandant
  2. geweerschutter
  3. geweerschutter
  4. geweerschutter
  5. geweerschutter
  6. helper mitr. MAG
  7. schutter mitr. MAC
  8. plaatsvervangend groepscommandant
  9. boordschutter
  10. chauffeur

Bron: VS 7-440/3, collectie bibliotheek Legermuseum

 

Naast de persoonlijke wapens voor de bemanning (pistool, pistoolmitrailleur of geween, had de AMX een .50 Browning boordwapen op torenaffuit. De drie groeps­voertuigen beschikten elk over een groeps­wapen MAG 7.62 mm. De commandogroep had twee antitankwapens TLV 84 mm (Carl Gustav). Daarnaast was elk voertuig uitge­rust met LAW's Light Antitank Weapon), vier en twaalf voor respectievelijk het com­mandogroepsvoertuig en de groepsvoertui­gen. In de jaren zeventig werd een aantal AMX pri's voorzien van het antitank wapen TOW.

Het eerste onderdeel van de KL dat in 1963 de beschikking kreeg over de AMX pri was het 16e bataljon infanterie Limburgse Jagers. Zes bataljons zijn in totaal uitgerust geweest met de AMX pri. In 1978 werd de AMX pri vervangen door de YPR 765.

Tabel 5. Indeling AMX pri bij de Infanterie
Eenheid van - tot opmerking
41 painfbat 1966 - 1978 paraat
47 painfbat 1966 - 1978 paraat
16 painfbat 1966 - 1978 na 1974 mobilisabel
17 painfbat 1966 - 1978 paraat
42 painfbat 1966 - 1978 paraat
14 painfbat 1966 - 1978 mobilisabel
painfbat = pantserinfanteriebataljon
De precieze instroomdata van de AMX pri zijn niet te achterhalen. Als begindatum is 1966 gekozen, het jaar dat de instroming voltooid was. 16 en 42 painfbat behoorden tot de eerste bataljons die werden gemechaniseerd.
bron: Documentatiearchief Sectie Militaire Geschiedenis, met dank aan drs. B. Schoenmaker.

 

 

De pantserrups artillerie (AMX pra)

De veldartillerie werd eind jaren vijftig begin jaren zestig, door onder andere de invoering van nucleaire projectielen, geconfronteerd met grote veranderingen. De mechanisatie van de lichte veldartillerie kreeg gestalte door de invoering van de AMX pra. De overgang van getrokken naar gemechaniseerde veldar­tillerie werd noodzakelijk geacht om de gewenste beweeglijkheid, spreiding en bescherming te kunnen bewerkstelligen.[21] De bescherming betrof overigens niet zozeer de uitwerking van nucleaire en/of chemische wapens, maar die tegen kleinkaliber infante­riewapens. Als gevolg van de toegenomen mobiliteit werd het gebruik van rekenappara­tuur en doelopsporingsmiddelen urgent. Belangrijk hierbij was de invoering in 1966 van de FADAC Field Artillery Digital Auto­matie Computer).[22]

 

Afb. 10. De AMX pantserrups artillerie 105mm.
(Collectie Legermuseum, inv.nr. 050272)

 

Afb. 11. Een batterij AMX pra in actie. Rechts op de achtergrond een M577 Commandovoertuig.
(fotocollectie Museum Nederlandse Artillerie)

 

De gemechaniseerde houwitser 105mm L30 AMX prat was het eerste voertuig dat werd ontwikkeld op het bestaande chassis van de lichte tank (zie tabel 2 voor technische gege­vens). Het onderstel van de AMX pra wijkt iets af van dat van de tank. Zo heeft de pra drie in plaats van vier toprollers. Op het ach­terste deel van de romp was de gevechtsruim­te geplaatst, bestemd voor de commandant, schutter en laders. De aanduiding L30 staat voor de lengte van de loop; 30 x het kaliber 105 mm = 3,15 m. Het stuk had een elevatie van -4 tot +70 graden en een traverse van 18 graden naar beide zijden. Het nadeel van deze 'casemate fixe' was dat de vuursector betrek­kelijk smal was. Dit betekende dat het gebied waarin een afdeling AMX pra (18 stukken kon worden ingezet niet breder mocht zijn dan 10 km, omdat zij anders niet het gehele 'vak' kon bestrijken. Het wapen had een dracht van 15 km en een vuursnelheid van 10 schoten per minuut gedurende de eerste 3 minuten, gevolgd door 3 schoten per minuut. De munitievoorraad bedroeg 56 schoten, waarvan 50 brisantgranaten en zes antitank granaten (zie afb. 6).

 

Tabel 6. Indeling AMX pra bij de Artillerie
Eenheid van - tot opmerking
12 Afdva 1963 - 1973 paraat
41 Afdva 1963 - 1969 paraat
43 Afdva 1963 - 1969 paraat
42 Afdva 1970 - 1982 paraat
11 Kra 1970 - 1982 paraat
13 Afdva 1970 - 1982 mobilisabel
51 Afdva 1970 - 1974 mobilisabel
Afdva = Afdeling veldartillerie
KRA = Korps Rijdende Artillerie (Gele Rijders)
bron: Traditieboek van het Wapen der Artillerie, collectie Artilleriemuseum, 't Harde

 

Overigens is er voor het Franse leger nog een verbeterde versie (te onderscheiden aan de type aanduiding ' 105B' ) van de AMX houwit­ser ontwikkeld met onder andere een volle­dig draaibare toren.

Er zijn van 1965 tot 1984 in totaal 82 AMX pra's ingedeeld geweest bij de Veldartillerie en de Rijdende Artillerie. Vanaf 1963 stroom­den de eerste vuurmonden in bij de 12e, 41e en 43e Afdeling Veldartillerie (zie tabel 6). Sommige afdelingen kregen pas de beschik­king over de AMX toen andere al op de modernere M109 overgingen. Zo kreeg de l 1e Afdeling Rijdende Artillerie in 1969 de 18 vuurmonden (3 batterijen) van de 41e Afde­ling veldartillerie. Ofschoon de AMX pra in 1970 al niet meer tot modernste vuurmonden werd gerekend, werd hij pas vanaf 1982 ver­vangen door de M109.[23]

Een parate batterij gemechaniseerde veldar­tillerie AMX bestond in 1967 uit: een com­mandogroep, een verzorgingsgroep, een ter­reinmeetgroep, een verbindingsgroep, een waarnemingsgroep, de vuurmondgroep, en een munitiegroep, in totaal 91 man.[24] De vuurmondgroep had zes stukken AMX pra en twee Daf YA 126 commandowagens. Van alle AMX voertuigen is de AMX pra het langst in de bewapening geweest. Naarmate de tijd ver­streek, liep de inzetbaarheid van de vuurmon­den terug. Curieus is dat in januari 1979 de 11e Afdeling Rijdende Artillerie de Inzet­baarheidsprijs kreeg terwijl op dat moment slecht één van de achttien AMX vuurmonden inzetbaar was![25]

 

Conclusie

In de onlangs uitgegeven memoires van M.R.H. Calmeyer, staatssecretaris KL van 1959 tot 1963, merkt deze met betrekking tot de aankoop van het AMX materieel op: Het betere is de vijand van het goede. Ik heb er nooit spijt van gehad.[26]

Toch zal menig gebruiker van het materieel zich wel eens hebben afgevraagd waarom er niet iets langer is gewacht en in plaats van de AMX pra de modernere M109 is aangeschaft of in de plaats van de AMX pri de M113.[27] De vele storingen en de onderhoudsgevoeligheid hadden een negatieve invloed op de inzet­baarheid van het materieel. Om deze en ande­re redenen was de AMX niet erg populair bij het personeel. Zo was voor veel Nederlandse militairen de krap bemeten ruimte in de voer­tuigen een bron van ergernis.

De vraag die zich aandient is of bij de mecha­nisatie van de KL de gewenste standaardisa­tie -achteraf bezien- niet meer nadelen dan voordelen met zich mee heeft gebracht. Het beantwoorden van deze vraag valt buiten het bestek van dit artikel maar vraagt wel om nader onderzoek. Wel is het zo dat hier uit­drukkelijk de als zodanig ervaren tijdsdruk als argument om over te gaan tot aanschaf van een bestaand product (AMX), in beschou­wing moet worden genomen. Dit is van belang omdat het, hoe langer het geleden is dat een bepaalde handeling plaatsvond zonder evidente aanleiding (bijvoorbeeld een oor­logshandeling), hoe sneller de factor `haast' als argument over het hoofd gezien kan wor­den.

De AMX voertuigen in de collectie van het Legermuseum zijn representant van een belangrijke episode in de moderne geschiede­nis van de Koninklijke landmacht. De invoer van dit materieel markeerde een omslag in het denken over moderne oorlogvoering. Het museale verhaal dat de AMX voertuigen ver­tellen is meer dan een klaagzang over te krap bemeten compartimenten, technische gebre­ken, mislukte modificaties of wat dies meer zij. Het legt in een ruimere context tevens de complexiteit bloot van het proces waarin de KL, met de destijds beschikbare middelen onder grote tijdsdruk, in bondgenootschappe­lijk verband een geloofwaardig antwoord moest zien te formuleren op de dreiging die er van het Warschau Pact in de Koude Oorlog uitging.

 

Gebruikte bronnen & literatuur

Centraal Archievendepot Ministerie van Defensie (CAD/MvD), Rijswijk:

  • archief Hoofdkwartier Generale Staf (HKGS) (Conf./Z.G.), doos 640, stuk nr. 16.0716/5/f.geh. bijlage 26-3 `Verslag van de technische beproeving van het AMX materieel, 1961'.
  • archief Hoofdkwartier Generale Staf (HKGS), 1961, doos nr. 640, `nota van waarnemend chef Generale Staf A.V. van den Wall Bake aan Minister van Defensie met betrekking tot de aanschaf van de lichte tank AMX 13'.
  • archief Kwartiermeester Generaal (KMG), 1960-1967, nr. 19, `rapport DB nr. 201-28/B: 'Beproeving van de lichte tank AMX 13 ton. Gebrekenproef en scheuronderzoek, 1965'.
  • archief Kwartiermeester Generaal (KMG), handeling 29, bundel 5012, stuk.nr. 4h/conf. `nota wnd CGS A.V. van den Wall Bake aan staatssecretaris KL, 28-8-1964'.

 

Archief Sectie Militaire Geschiedenis (SMG) van de Landmachtstaf, Den Haag:

  • Jaarverslag KL 1961.
  • Jaarverslag KL 1962.

 

Collectie bibliotheek Museum Nederlandse Artillerie, `t Harde:

  • Traditieboek van het Wapen der Artillerie.

 

Collectie bibliotheek Legermuseum:

  • '2e en 3e opgave van wijzigingen op het Voorschrift (VS)2-1386 `Gevechtshandleiding". Uitgave Ministerie van Defensie (resp. 1960, 1962).
  • Voorschrift (VS)2-1386 'Gevechtshandleiding', 2e druk. Uitgave Ministerie van Defensie (1968).
  • Voorschrift (VS)17-135 'Het Verkenningseskadron'. Uitgave Ministerie van Defensie (1964).
  • Voorlopige Richtlijn (VR)7-440/3 `Gevechtsexercitie pantserrupsvoertuigen infanterie'. Uitgave Ministerie van Defensie (1965).
  • Voorschrift (VS)7-440/3 'Gevechtsexercitie pantserinfanterie groep en peloton (rups)'. Uitgave Ministerie van Defensie (1969).
  • Technische Handleiding 2 (TH) 9-230 A/1 `Lichte tank: m/ kanon 105 mm, L44; type 2D (AMX). Onderdeelsonderhoud'. Uitgave Ministerie van Defensie (1966).
  • Materieellijsten Directie Materieel Koninklijke Landmacht.
  • Naam en Codelijst (NC) 9-80 'Afbeeldingen en gegevens van Genie- en TD materieel'. Uitgave Directie Materieel KL.

 

Literatuur

  • R. Bonds, An Illustrated guide to modern tanks and fighting vehicles (London 1980).
  • H. Bruggenvan, 'Gemechaniseerde artillerie een modeverschijnsel of een noodzaak?' in: Militaire Spectator, jrg. 133, nr. 10 (1964) 462-467.
  • M. Elands e.a.., De geschiedenis van 1 Divisie `7 December' 1946-1996. Uitgave Sectie Mili­taire Geschiedenis (Den Haag 1996).
  • R.J.A.Th. van Heerde, `De pantserinfanteriecompagnie (AMX). Enkele conclusies uit velddienstervaringen' in: Militaire Spectator, jrg. 135, nr. 7 (1966) 311-313.
  • J. Hoffenaar, Calmeyer `Herinneringen'. Memoires van een christen, militair en politicus. Uitgave Sectie Militaire Geschiedenis (Den Haag 1997).
  • R.W. Hoksbergen & J. Kroon, De Nederlandse artillerie vanaf 1945 (1998). Legerkoerier, jaargang 17, nr. 3, maart 1967.
  • R.M. Ogorkiewicz, Design and development of fighting vehicles (London 1968).
  • H. Roozenbeek, Alleen leverbaar in legergroen. 50 Jaar materieelvoorziening in de KL 1944-­1994. Uitgave Sectie Militaire Geschiedenis, brochurereeks nr. 14.
  • B. Schoenmaker & J.P.C.M. van Hoof, 200 jaar Rijdende artillerie 1793-1993. Uitgave Sectie Militaire Geschiedenis (Den Haag 1993).
  • F.Th.Segers, 'AMX-voertuigen voor de Koninklijke Landmacht' in: Militaire Spectator, jrg. 130, nr. 12 (1961) 477-480.
  • C. Sieben, Beheersing van militaire macht: een studie naar enkele ontwikkelingen in de wapentechnologie, de structuurkenmerken van militaire organisaties en de aanpak van het beheersingsvraagstuk. Academisch proefschrift Vrije Universiteit (Meppel 1991).
  • W Spielberger, AMX.13 uitgave Armour in profile nr. 12 (z.p. 1967).

 

Noten

  1. Het personeelsvoertuig staat opgesteld in de basisexpositie, de twee andere zijn opgeslagen in het voertuigendepot Maaldrift.
  2. Archief SMG: Jaarverslag KL 1961, 4; idem 1962, 40-41.
  3. Bron: '2e en 3e opgave van wijzigingen op het Voorschrift (VS)2-1386 'Gevechtshandlei­ding' (resp. 1960, 1962) resp. pag. 17a, 18.
  4. Voorschrift (VS)2-1386 'Gevechtshandleiding', 2e druk / 1968) 20.
  5. In de collectie van het Legermuseum bevinden naast de drie AMX-, tevens vier verschil­lende typen DAF YP 408 voertuigen.
  6. CAD/MvD Archief KMG, handeling 29, bundel 5012, stuk nr. 4h/conf. 'Nota wnd CGS A.V. van den Wall Bake aan Staatssecretaris KL, 28-8-1964'
  7. C. Sieben, Beheersing van militaire macht, 94.
  8. CAD/MvD archief HKGS (Conf./Z.G.) Doos 640 stuknr. 16.0716/5/f., p. 25.
  9. W. Spielberger, AMX.13, 8; R. Bonds (ed.), Modern tanks and fighting vehicles, 27.
  10. CAD/MvD archief HKGS (Conf./Z.G.) Doos 640 stuknr. 16.0716/5/f. bijlage 26-3 geh; zie ook: H. Roozenbeek, Alleen leverbaar in legergroen, 44-48.
  11. De Bundeswehr voerde als gepantserd personeelsvoertuig de Hispano Suisa (HS)-30 Spz 12-3 in. Een van oorsprong Zwitsers ontwerp.
  12. CAD/MvD archief HKGS nr. 640 'nota van de wnd CGS A.V. van de Wall Bake aan Mindef'.
  13. F. Th. Segers, 'AMX voertuigen in de KL', in: Militaire Spectator, jrg. 130, nr. 12 (1961 / 479.
  14. CAD archief KMG, rapport DB nr. 201-28/B 'beproeving lichte tank' ,1965.
  15. R.M. Ogorkiewiecz, Design and development, 52-53; Spielberger, AMX.13, 2.
  16. Voorschrift VS 17-135 `Het Verkenningseskadron', 1964.
  17. R.M. Ogorkiewicz, Design and development, 165-166.
  18. CAD/MvD Archief KMG, handeling 29, bundel 5012, stuk nr. 4h/conf. Nota wnd CGS A.V. van den Wall Bake aan Staatssecretaris KL, 28-8-1964'.
  19. Zie bijv: R.J.A.Th. van Heerde, 'De pantserinfanteriecompagnie (AMX/. Enkele conclusies uit velddienstervaringen' in: Militaire Spectator, jrg. 135, nr. 7 (1966) 311-313.
  20. Voorschrift (VS) 7-440/3 Gevechtsexercitie pantserinfanterie groep en peloton (Rups), 1969.
  21. H. Bruggenvan, 'Gemechaniseerde artillerie een modeverschijnsel of een noodzaak?' in: Militaire Spectator, jrg. 133 (oktober 1964) 462-467.
  22. Aanwezig in collectie KNLWM, inv. nr. 087800.
  23. Zie bijv. B. Schoenmaker & J.P.C.M. Van Hoof, 200 jaar Rijdende Artillerie, 140-141.
  24. Bron: Legerkoerier, maart 1967.
  25. B. Schoenmaker & J.P.C.M. Van Hoof, 200 jaar Rijdende Artillerie, 168.
  26. J. Hoffenaar, M.R.H. Calmeyer `Herinneringen', 647.
  27. M. Elands e.a., 1 Divisie 7 december, 183.